Trams in Utrecht
Historische Context
Aan het eind van de 19e eeuw had Nederland een uitgebreid netwerk van spoorlijnen. Om kleinere plaatsen te ontsluiten, waren er vanaf 1878 grofweg twee mogelijkheden: een lokaalspoorweg of een tram. Op een trambaan lag de maximumsnelheid lager dan op een lokaalspoorweg, en ook de eisen aan de trambaan en de trams zelf waren minder streng. Voor de overige verbindingen vertrouwde de overheid op particulier initiatief. Binnen de provincie Utrecht ontstond een bescheiden tramnetwerk; in het zuidwestelijk deel zijn echter nooit lokaalspoorwegen of tramlijnen aangelegd.
Het Utrechtse Netwerk
Het netwerk omvatte de stadslijnen in de stad Utrecht (Utrechtse paardentram, opgevolgd door de Gemeentetram Utrecht in 1906). Vanaf Utrecht waren twee interlokale lijnen: naar Vreeswijk en naar Zeist. Vanuit Zeist werd een van Nederlands langste tramlijnen aangelegd, eerst naar Doorn en Arnhem, en later naar Amersfoort. De concurrentie met de autobus bleek na 1914 moordend, waardoor de meeste lijnen tussen 1924 en 1931 werden opgeheven. De stadstrams reden voor het laatst in 1939 en de laatste trams op de lijn Utrecht - Zeist vielen op 2 mei 1949 stil.
Utrecht - Zeist: De eerste, en de laatste
De eerste tramlijn in de provincie Utrecht werd geopend in 1879: van het Rhijnspoorstation via De Bilt naar station Zeist, door de Stichtse Tramway-Maatschappij (STM). In 1909 werd de lijn geƫlektrificeerd. Een bijzonderheid was de dubbelpolige bovenleiding bij het KNMI in De Bilt, om storende zwerfstromen bij seismologische apparatuur te voorkomen. Pas in 1946 werd de trolleystang vervangen door een schaarbeugel. Na een moeizame naoorlogse periode viel op 2 mei 1949 het doek voor de tram.
De Sneltram (1983 - heden)
In 1983 keerde de tram in Utrecht nieuw leven in met de opening van de sneltram naar Nieuwegein/IJsselstein. Ondanks felle tegenstand van de gemeente Utrecht, werd het plan door de minister doorgezet. In 2019 is de lijn verlengd naar het Utrecht Science Park.